De aanstelling van de rassenwetenschapper Nathan Cofnas aan de Universiteit Gent zet het debat over academische vrijheid op scherp. Academische vrijheid is een onmisbare voorwaarde voor excellent onderzoek. Academici moeten vrij hun onderzoeksvragen kunnen kiezen, met de methoden en theorieën die zij wetenschappelijk het meest relevant achten.
Toch is ook de academische vrijheid niet onbeperkt. Academici moeten zich beroepen op repliceerbare methoden en hun uitspraken onderbouwen met bestaande wetenschappelijke literatuur. In die zin is academische vrijheid meer begrensd dan de vrijheid van meningsuiting.
In het debat over de aanstelling van Cofnas ging het tot nu toe vooral hierover: zijn uitspraken dat witte mensen inherent intelligenter zijn dan zwarte mensen zijn wetenschappelijk onjuist. In hun open brief klagen Peter Singer, Maarten Boudry en anderen aan dat de tegenstanders “geen enkele poging doen om zijn uitspraken empirisch te ontkrachten”. Hoewel reeds tal van experten het tegendeel hebben bewezen, geef ik nogmaals twee empirische argumenten.
Ten eerste herbergt de wereldbevolking een enorme rijkdom aan genetische herkomstgroepen. Deze genetische diversiteit kan niet gereduceerd worden tot een simplistisch raciaal onderscheid tussen ‘zwarte’ en ‘witte’ mensen. De verschillende herkomstgroepen zijn intern genetisch erg divers en de meeste mensen hebben genetisch materiaal van verschillende herkomstgroepen tegelijkertijd. Eeuwen van migratie, kolonisatie en globalisering laten genetisch hun sporen na. Kathryn Harden, wereldvermaard expert, vat het zo samen: “Wetenschappelijk racisme is empirisch verkeerd en moreel verwerpelijk.”
Daarnaast onderschat Cofnas de complexiteit van de genetische basis van intelligentie. Er bestaat niet één gen voor intelligentie. Wat gemeten wordt in – vaak cultureel gekleurde – IQ-testen is de uitkomst van een samenspel tussen tal van genetische varianten en omgevingsfactoren.
In een studie in Nature Genetics uit 2022 identificeerden Aysu Okbay en haar team maar liefst 3.952 unieke genetische variaties die samenhangen met onderwijsuitkomsten. Samen verklaren die hoogstens 16 procent van de onderwijsverschillen tussen mensen.
Dit illustreert hoe complex dit onderwerp is en hoeveel er nog te ontdekken valt. Het pseudowetenschappelijk discours van Cofnas vervuilt helaas goed genetisch onderzoek in plaats van het te bevorderen.
De empirische basis voor Cofnas’ uitspraken ontbreekt. Iets wat Boudry in zijn opiniestuk in bedekte termen toegeeft. Zijn laatste argument is dat er plaats moet zijn voor “controversiële meningen” aan de universiteit. Ja, academisch onderzoek floreert bij divergentie en tegenspraak. Maar ook die is begrensd.
Academisch onderzoek mag niet ten koste gaan van mensenrechten en dient bij voorkeur het algemene belang - waarden die we terugvinden in de missieverklaringen en deontologische codes van universiteiten. Zo werd recent Harry Pettit niet aangesteld aan de VUB, omdat hij onder meer de Iraanse dictator Khomeini ophemelde. Een beslissing die Boudry overigens toejuichte.
Het doel van wetenschappelijk onderzoek doet ertoe. Net daarom moeten we extra waakzaam zijn wanneer iemand genetisch onderzoek bepleit naar raciale verschillen. Genetisch onderzoek naar herkomstgroepen is waardevol voor betere kankeropsporing; om etnische minderheden uit te sluiten is het dat niet.
In zijn blog pleit Cofnas voor raciale segregatie en stelt hij dat “politici moeten ingrijpen om voor een goede raciale samenstelling te zorgen in de maatschappij”. Zijn starre wereldbeeld over ‘zwarte’ en ‘witte’ groepen wil hij dus ook maatschappelijk vertaald zien. Dat staat haaks op de missie van de UGent.
Maar zijn we op dit vlak niet te strikt? Een eenzame zonderling die eugenetisch onderzoek verricht, vormt op zich geen groot gevaar voor de mensenrechten. Helaas is Nathan Cofnas geen eenzaat. Hij maakt deel uit van een internationaal netwerk van rassenwetenschappers dat streeft naar witte suprematie. Met radicaal-rechts aan de macht in veel landen hebben ze ook politiek wind in de zeilen. Cofnas is een symptoom van de herleving van wetenschappelijk racisme en afkalvende mensenrechten.
Rectoren kunnen zich in deze context niet verschuilen achter een vermeende neutraliteit. Neem de maatschappelijke rol van universiteiten opnieuw ernstig en maak duidelijk waar de morele grenzen van academische vrijheid liggen: racisme hoort niet thuis aan onze universiteiten.
Deze opiniebijdrage werd gepubliceerd in De Morgen.